Winkelwagen
Geen artikelen in winkelwagen.




Aanbieding

buitenmuur impregneer met 10 jaar garantie


9,98

nu
€ 9 92

buitenmuur impregneer met 10 jaar garantie



Nieuwsbrief
Meld u aan voor onze nieuwsbrief:

Gastenboek
ik zoek schoon maakspullen voor hetverwijderen van groen aanslag opmuren trespa ... lees meer >>
16-04-2012

na het spuiten met een niet professionele hogedrukspuit blijven er ... lees meer >>
04-04-2012

wij hebben een strandhuis , die is voorzien aan de ... lees meer >>
18-03-2012

Plaats een bericht >>

meest gestelde vragen op milieukoopwijzer.nl


Artikel 6 van 16

géén afbeelding
beschikbaar





Meest gestelde vragen op milieukoopwijzer.nl

Is reinigen met microvezeldoekjes milieuvriendelijk?

Schoonmaken met behulp van microvezeldoekjes is milieusparender dan andere methodes, voornamelijk omdat er geen schoonmaakproducten bij worden gebruikt.
Hier vindt u meer info over microvezeldoeken


Wat betekent biologische afbreekbaarheid?

Biologische afbraak (ook biodegradatie genoemd) is een proces waarbij organische stoffen (zie verder) door de natuurlijke activiteit van levende micro-organismen, zoals bacteriën en schimmels, vernietigd worden. Stoffen die zich op deze manier laten afbreken, noemen we biologisch afbreekbaar.

Organische stoffen zijn stoffen van plantaardige of dierlijke oorsprong (oliën, vetten, zetmeel,...). Anorganische stoffen (an=niet) zijn alle andere stoffen zoals metalen, zouten en steen. Organische stoffen kunnen in principe worden afgebroken door bacteriën die deze stoffen gebruiken als voedingsbron. Anorganische stoffen worden niet afgebroken.


Wat is het verschil tussen aërobe en anaërobe afbreekbaarheid?

Anaërobe afbreekbaarheid wil zeggen dat de bacteriële afbraak gebeurt met behulp van zuurstof. Een vlotte afbreekbaarheid in aërobe omstandigheden is nodig om ervoor te zorgen dat de stoffen door de natuurlijke mechanismen vlot worden afgebroken en dus uit het milieu verdwijnen.

Anaërobe afbreekbaarheid gebeurt onder condities waar er geen of weinig zuurstof aanwezig is. Anaërobe afbreekbaarheid van schoonmaakmiddelen is meestal veel moeilijker dan anaërobe afbreekbaarheid. Sommige bestanddelen van schoonmaakmiddelen naar de bodem bezinken waar er een zuurstofarm milieu is. Hetzelfde geldt voor het waterzuiveringsslib. Een vlotte afbreekbaarheid in anaërobe omstandigheden is nodig om te garanderen dat in sedimenten en andere zuurstofarme milieucompartimenten deze stoffen voldoende snel afbreken en verdwijnen.

 


Wat is het verschil tussen primaire en totale afbreekbaarheid?

Er wordt onderscheid gemaakt tussen primaire afbreekbaarheid en totale afbreekbaarheid:

  • Bij primaire afbreekbaarheid worden de stoffen afgebroken tot kleinere moleculen. De stof verliest hierbij haar belangrijkste eigenschappen. De overblijvende componenten kunnen echter nog bepaalde (negatieve) effecten uitoefenen op het waterleven.
  • Bij totale afbreekbaarheid (ook ultieme of secundaire afbreekbaarheid genoemd) worden deze componenten volledig afgebroken tot onschadelijke eindproducten als koolstofdioxide (CO2), water (H2O) en anorganische zouten. Een stof wordt totaal afbreekbaar genoemd indien deze na 28 dagen in voorgeschreven condities minstens 60% is afgebroken.

Producenten zijn wettelijk verplicht om schoonmaakmiddelen op de markt te brengen waarvan de detergenten totaal afbreekbaar zijn. Deze verplichting geldt enkel voor het detergent (= tenside of oppervlakteactieve stof) en niet voor de talrijke andere ingrediënten in het schoonmaakmiddel, die eveneens een belasting voor het milieu kunnen vormen. Op de Milieukoopwijzer leggen we de lat voor de beste producten wat hoger: van de beste producten verwachten we dat ze een hogere afbreekbaarheid halen dan 60% op 28 dagen en dat de totale afbreekbaarheid van de andere grondstoffen of van het eindproduct ook goed zitten.


Waarom is de afbreekbaarheid van oppervlakte-actieve stoffen belangrijk?

Oppervlakte-actieve stoffen vormen het belangrijkste bestanddeel van schoonmaakmiddelen. Ze worden ook wasactieve stoffen, detergenten of tensiden genoemd. Het zijn de stoffen die zorgen voor de reinigende werking van het product.

Wasactieve stoffen worden toegepast om het vuil op te lossen en te verwijderen. Ze worden meestal voorgesteld als bestaande uit een bolvormige olieminnende (lipofiele) kop, die vuiloplossend en waterafstotend is, én een lange, waterminnende (hydrofiele) staart, die oplosbaar is in water. De wasactieve stoffen verlagen de oppervlaktespanning van het water, zodat het vuil wordt losgeweekt en opgelost blijft in het sop om samen met het afvalwater te verdwijnen.

De wasactieve stoffen hebben negatieve effecten op het milieu en het waterleven. Ze zijn giftig doordat ze de beschermende laag van waterorganismen aantasten. Onderzoek toont aan dat een concentratie van slechts 1 deeltje per miljoen van sommige wasactieve stoffen een dodelijk effect kan hebben op kikkereitjes. Verder zijn sommigen persistent of worden in waterzuiveringsinstallaties niet afgebroken. Hoge concentraties van detergenten kunnen de werking van een waterzuiveringsinstallatie negatief beïnvloeden Daarom is het erg belangrijk dat zeker de oppervlakte-actieve stoffen van een schoonmaakproduct goed afbreekbaar zijn.

 


Wat is het verschil tussen inherente en niet-inherente biologische afbreekbaarheidstesten?

Inherente testen meten de biologische afbraak onder ideale condities in labo-omstandigheden waarbij de micro-organismen voldoende voedingsstoffen krijgen. Soms wordt ook de temperatuur en de concentratie van micro-organisemen steeds op peil gehouden. Uiteraard zullen de afbraakresultaten dan steeds een beter beeld geven dan bij afbraak onder reële omstandigheden (bijvoorbeeld in de natuur of in een zuiveringsstation).

Niet-inherente testen gaan uit van de reële condities in de natuur, ze krijgen tijdens de afbraaktest geen extra voedingsstoffen toegediend, er worden geen extra micro-organismen toegevoegd om de concentratie constant te houden en ook de temperatuur wordt niet kunstmatig hoog gehouden. Deze testen zullen steeds lagere afbraakresultaten voorleggen dan de inherente. Daarom geeft de Milieukoopwijzer er de voorkeur aan dat fabrikanten de niet-inherente testen zouden uitvoeren.

 


Wat is eutrofiëring?

Eutrofiëring (vermesting) is een overmatige algengroei in het oppervlaktewater. Eutrofiëring doet zich voor als er teveel voedingsstoffen in het milieu aanwezig zijn (eutroof=voedselrijk). Fosfaten en stikstof zijn essentiële voedingsstoffen voor waterplanten en algen in het oppervlaktewater. Bij een teveel aan deze voedingsstoffen nemen de algen sterk in aantal toe. Als ze afsterven worden ze door bacteriën afgebroken. Dit vraagt veel zuurstof, die aan het water wordt onttrokken waardoor vissen en andere waterorganismen kunnen stikken. Het veroorzaakte zuurstofgebrek leidt tot vissterfte en verstoring van het natuurlijk evenwicht.

Eutrofiëring kan reeds optreden bij fosforconcentraties van 0,01 tot 0,02 mg fosfor (P) per liter. Schoonmaakmiddelen bevatten vaak fosfor onder de vorm van fosfaten of fosfonaten. Fosfaten en fosfonaten worden gebruikt als waterontharders.

Fosfaten zijn sinds kort verboden in wasmiddelen, maar komen vooral in vaatwasmiddelen nog voor. Naast de milieueffecten van fosfaten zelf, veroorzaakt ook het productieproces heel wat milieuhinder. Het leidt immers tot licht radioactief afval en gips dat een grote hoeveelheid zware metalen bevat.

Fosfonaten spelen een belangrijke rol bij het in oplossing brengen van zware metalen. Fosfonaten hebben een lage afbreekbaarheid. Wanneer ze in het waterzuiveringsslib terechtkomen, kunnen ze er voor problemen zorgen.

Ecologische alternatieven voor fosfaten en fosfonaten zijn bijvoorbeeld zeoliet, soda, silicaten en citraat.

 


Wat is het probleem met fosfaten?

Zie het antwoord op de vorige vraag

 


Wat zijn R-zinnen?

R-zinnen zijn de zogenaamde risico-zinnen. Europese wetgeving verplicht fabrikanten om de etiketten van gevaarlijke stoffen - en die van producten die gevaarlijke stoffen bevatten - te voorzien van risico-zinnen. R-zinnen (R van Risk) waarschuwen de gebruiker voor gevaarlijke of schadelijke eigenschappen van een stof.

De zinnen zijn genummerd. Zo staat R1 voor in droge toestand ontplofbaar en R59 betekent gevaarlijk voor de ozonlaag.

Naast R-zinnen zijn er ook S-zinnen die veiligheidsaanbevelingen geven. De S-zinnen (S van Safety) geven aanwijzingen voor het veilig werken met een stof.

Op deze site van de Vlaamse milieuadministratie vindt u een volledig overzicht van alle R- en S-zinnen.


Waar staan de R-zinnen uit de koopwijzer-criteria precies voor?

Volgende R-zinnen zijn opgenomen in de criteria van de Milieukoopwijzer:


R23 = Vergiftig bij inademing
R24 = Vergiftig bij aanraking met de huid
R25 = Vergiftig bij opname door de mond
R26 = Zeer vergiftig bij inademing
R27 = Zeer vergiftig bij aanraking met de huid
R28 = Zeer vergiftig bij opname door de mond
R40 = Carcinogene effecten zijn niet uitgesloten.
R39 = Gevaar voor ernstige onherstelbare effecten
R42 = Kan overgevoeligheid veroorzaken bij inademing.
R43 = Kan overgevoeligheid veroorzaken bij contact met de huid.
R45 = Kan kanker veroorzaken.
R46 = Kan erfelijke genetische schade veroorzaken.
R48 = Gevaar voor ernstige schade aan de gezondheid bij langdurige blootstelling
R49 = Kan kanker veroorzaken bij inademing.
R50 = Zeer vergiftig voor in het water levende organismen.
R51 = Vergiftig voor in het water levende organismen.
R52 = Schadelijk voor in het water levende organismen.
R53 = Kan in het aquatisch milieu op lange termijn schadelijke effecten veroorzaken.
R54 = Vergiftig voor planten.
R55 = Vergiftig voor dieren.
R56 = Vergiftig voor bodemorganismen.
R60 = Kan de vruchtbaarheid schaden.
R58 = Kan in het milieu op lange termijn schadelijke effecten veroorzaken.
R61 = Kan het ongeboren kind schaden.
R62 = Mogelijk gevaar voor verminderde vruchtbaarheid.
R63 = Mogelijk gevaar voor beschadiging van het ongeboren kind.
R64 = Kan schadelijk zijn via de borstvoeding.
R68 = Onherstelbare effecten zijn niet uitgesloten.

 


Wat betekent toxisch voor het waterleven?

Alle stoffen die in het oppervlaktewater terecht komen kunnen toxisch zijn voor het waterleven. Dat betekent dat ze schade kunnen toebrengen aan de in het water levende organismen als bacteriën, algen, watervlooien en vissen. Al deze organismen spelen een belangrijke rol bij het functioneren van het ecosysteem in het water. De meeste wasactieve stoffen in reinigingsmiddelen zijn al in zeer lage concentraties toxisch voor waterorganismen. Ze kunnen dan effecten hebben op bijvoorbeeld de groei en reproductie van de waterorganismen.


Wat is bio-accumulatie?

Bio-accumulatie doet zich voor wanneer stoffen zich opstapelen in het vetweefsel van organismen en dit effect doorheen de voedselketen sterker wordt. Dieren aan het einde van de keten kunnen zo geconfronteerd worden met een verhoogde interne concentratie aan schadelijke stoffen.

Voorbeelden van voedselketens zijn:

  • Miljarden microscopisch kleine planktonplantjes in het water dienen als voedsel voor de planktondiertjes (jonge schaaldieren en weekdieren) die op hun beurt weer opgegeten worden door jonge haringen. De harinkjes worden door een bot opgegeten, die op zijn beurt weer wordt opgegeten door een zeehond.
  • De muis eet de plant op. Die muis is dan een lekkere hap voor de slang, die op zijn beurt terechtkomt in de maag van een valk. De valk staat aan de top van de voedselketen.

 


Wat is het voordeel van schoonmaakmiddelen uit hernieuwbare stoffen?

Het gebruik van hernieuwbare grondstoffen in plaats van synthetische biedt zekere milieuvoordelen. De hernieuwbare stoffen kunnen immers – bij juist beheer - niet uitgeput geraken, in tegenstelling tot aardolie, de grondstof voor synthetische producten.

Detergenten van plantaardige oorsprong zijn over het algemeen goed afbreekbaar en weinig milieubelastend. Vele petrochemische detergenten hebben schadelijke effecten op het leefmilieu eens ze in het afvalwater terechtkomen.

Hernieuwbaar wil vaak zeggen ‘verkregen via teelt’. De palm, (kokosnoot) etc.. oliën die gebruikt worden in was- en reinigingsmiddelen worden geteeld. Dit telen van kokos en palm gaat soms gepaard gaat met het kappen van tropische bossen, en een verlies aan habitats. Het is een pluspunt wanneer fabrikanten een duurzaam beleid voor de plantages van palmbomen en kokosnoten promoten. Maar jammer genoeg valt het in de meeste gevallen valt niet te achterhalen op welke manier de teelt is gebeurd.

 


Welk verpakkingsmateriaal kiezen?

Hervulbare verpakkingen zijn te verkiezen: zo vermijd je verpakkingsafval.

Minder milieubelastend zijn grondstoffen die hernieuwbaar, gerecycleerd, recycleerbaar, biologisch makkelijk afbreekbaar, duurzaam zijn of bij de productie minder schadelijk voor het milieu. Ook mono-materialen verdienen de voorkeur omdat deze makkelijker te recycleren zijn. Karton (minstens 80% gerecycleerde vezels), Polyethyleen, polypropyleen, PET en bioplastics hebben de voorkeur. PVC is absoluut te vermijden.


Karton is een goede grondstof voor verpakkingsmiddelen. Het is makkelijk biologisch afbreekbaar en te recycleren. De beste keuze zijn gerecycleerde vezels. In dat geval zijn de vezels zijn afkomstig uit oud papier. Dit spaart hout, vermijdt grondgebruik door boomplantages en helpt de afvalberg verkleinen. Bovendien is er voor de omzetting van oud papier tot pulp beduidend minder energie, water en chemicaliën nodig dan voor de omzetting van hout tot pulp, omdat vezels uit oud papier veel gemakkelijker kunnen ontsloten worden.


Polyethyleen (PE) en polypropyleen (PP) zijn goede alternatieven voor PVC. Het zijn kunststoffen die wel gemaakt worden op basis van aardolie, maar die veel minder schadelijke additieven bevatten, en niet op basis van het gevaarlijke chloor en ze zijn ook makkelijker en voor 100% recycleerbaar. De productie ervan veroorzaakt weinig vervuiling en bij verbranding ontstaan nauwelijks schadelijke stoffen. Wel komt er kooldioxide vrij, het belangrijkste broeikasgas. Voor het maken van polyetheen en polypropeen is relatief weinig energie nodig.

PE wordt vooral gebruikt in de verpakkingsindustrie. Recyclage tot hoogwaardige producten is mogelijk, maar wordt weinig toegepast. Gerecycleerde PE wordt reeds toegepast voor landbouwfolie en huisvuilzakken. PE met toevoeging van zetmeel als matrixstof is biologisch afbreekbaar, het valt uiteen in kleine stukjes PE die op zich niet biologisch afbreekbaar zijn. Low Density (LDPE) is zacht en flexibel. High density (HDPE) is minder buigzaam en stijver.

De Belangrijkste fysische eigenschappen van PP zijn: hoge temperatuurbestendigheid, glans, krasvastheid en goede stijfheid.


Polyethyleentereftalaat (PET) wordt gekenmerkt door transparantie, hoge sterkte-eigenschappen en temperatuurbestendigheid. PET is duurder dan PE en PP als gevolg van het hoger energieverbruik tijdens de productie (meer gebruik van aardolie) en wordt bijgevolg enkel gebruikt indien specifieke eigenschappen vereist zijn, zoals bijvoorbeeld hittebestendigheid voor transparanten. Recyclage van PET is perfect mogelijk.


Bioplastics: mais en PLA (polylactic acid of melkzuur) zijn twee voorbeelden van composteerbare materialen of bioplastics. Deze verpakkingen kan je dus na gebruik bij het GFT afval werpen. Opgelet: deze verpakkingen mogen in de GFT bak met het oog op professionele compostering, maar niet bij het GFT afval dat terecht komt in de composteerbak voor thuiscomposteren.


Polyvinylchloride (PVC): van de wieg tot het graf scheidt polyvinylchloride toxische stoffen af. Bij het aanmaken van de chemische ingrediënten van PVC (zoals het kankerverwekkende vinylchloride monomeer) komen er dioxines en verschillende andere persistente schadelijke stoffen (kwik, dichloorethaan) vrij in het milieu. Deze stoffen houden zowel op lange als op korte termijn gezondheidsrisico’s in.

Om PVC aan te maken gebruikt men chloor. Deze giftige stof wordt vervoerd in speciale treinen. Een ongeluk zou een ramp betekenen.

PVC materialen bevatten vaak toxische additieven als zware metalen of ftalaten. De additieven geven het PVC bepaalde eigenschappen (stabiliteit, hardheid,…). Om soepel PVC te bekomen, worden bij de verwerking bijvoorbeeld stabilisatoren en weekmakers toegevoegd. Sommige van die stoffen worden ervan verdacht onze hormonenhuishouding in de war te brengen.

In de afvalfase zorgt PVC ook voor problemen: bij storten is er het gevaar op uitlogen. De schadelijke stoffen komen na verloop van tijd los uit het PVC en komen in het grondwater terecht. Bij het verbranden zonder rookgaswassing komt HCI vrij, wat bijdraagt tot zuuremissies. PVC is moeilijk te recycleren. De kwaliteit van gerecycleerd PVC is veel minder goed dan nieuw PVC. Bovendien wordt recyclage van andere kunststoffen ernstig belemmerd als er per ongeluk wat PVC tussen zit.

 


Welke stoffen zijn absoluut te vermijden in schoonmaakmiddelen?

Volgende stoffen zijn te vermijden om verschillende redenen. Wil je meer weten? Klik dan door naar de pagina`s met info over de ingrediënten.

Wasactieve stoffen

  • lineair alkylbenzeensulfonaat (LAS)
  • Quaternaire ammoniumverbindingen
  • alkylfenolpolyetheenglycolethers (EPEO) of alkylfenolethoxylaten (APEO)
  • amine ethoxylaten
  • ethyleenoxide (EO), propyleenoxide (PO) blokpolymeren
  • secundair alkaansulfonaat (SAS)
  • zinkhoudende polymeren

 

Wateronthardende stoffen

  • NTA
  • EDTA
  • Fosfonaten
  • Polycarboxylaten
  • Polyacrylaten

 

Desinfectie & bleekmiddelen

  • Chloor en chloorverbindingen (bleekwater, javel, hypochloriet, natriumhypochloriet, cyanochloorbleekmiddel, chloorbleekloog, chloortabletten of natriumdichloorisocyanuraat, methyleenchloride of dichloormethaan...)
  • Perboraat
  • Jodiumhoudende stoffen
  • Formaldehyde
  • Fenol
  • Glutaaraldehyde

 

Kleur- & geurstoffen

  • Zware metalen (cadmium, chroom, lood, kwik, antinoom, barium, seleen, beryllium, telluur, thallium)
  • Nitromuskusverbindingen (vb. muskusxyleen, muskusambrette, moskeen, muskustibetine, muskusketon)
  • Polycyclische muskusverbindingen (vb. Galaxoide-groep (HHCB), Tonaloide-groep (AHTN), Celestolide-groep (ADBI), Traseolide (AITI) en Phantolide (AHMI))

 

Bewaarmiddelen

  • Alkylerende conserveermiddelen (chlooracetamide, glutaar-aldehyde)
  • Formaldehyde
  • Glycolen

 

Oplosmiddelen

  • Cumolsulfonaat
  • Toluolsulfonaat
  • Isopropanol
  • Cellulose thinner
  • White spirit
  • Benzine
  • Gechloreerde koolwaterstoffen (vb. trichlooretheen, perchloorethyleen, tetrachloorethyleen, methyleenchloride, polychloorbenzeen, gechloreerde fenolen)
  • Aromatische koolwaterstoffen (VOS: xyleen, tolueen)
  • Gehalogeneerde koolwaterstoffen (CFk`s, HFk`s, PCB`s)
  • Glycolen, glycolethers (butylglycol, ethyldiglycol)
  • Benzeen
  • Polyglycol-oplosmiddelen (polyethyleenglycolen)
  • Ketonen (zoals aceton)

 

 


Wat is het probleem met chloorbleekmiddelen?

Gebruik van chloorbleekmiddelen vormt een ernstige belasting voor de ademhalingswegen. In combinatie met andere schoonmaakmiddelen kan hypochloriet gevaarlijk zijn, daar het giftige chloorgas kan worden gevormd. Dit is een bijtend gas dat onmiddellijk op de ademhaling slaat.
Ook in het riool of de waterzuiveringsinstallatie kan hypochloriet chemische verbindingen vormen met andere organische stoffen zodat zeer giftige omzettingsproducten ontstaan. Tenslotte kost de productie van chloor veel energie en worden meestal milieubelastende productieprocessen gebruikt (kwikcellen).

Meer info op de pagina over bleekmiddelen.


Wat is het probleem met EDTA?

EDTA (ethyleendiaminetetra-azijnzuur), een wateronthardende stof, is bijna niet biologisch afbreekbaar. Door zijn geringe adsorptiecapaciteit en goede wateroplosbaarheid komt het voor een groot deel terecht in het effluent van de waterzuiveringsinstallatie (effluent = het behandelde afvalwater afkomstig uit een rioolwaterzuiveringsinstallatie). Dit leidt op termijn tot een stijging van de concentratie van deze stof in het aquatische milieu. EDTA is op zichzelf niet zo erg giftig voor het waterleven. De milieuproblemen worden voornamelijk veroorzaakt doordat EDTA niet alleen kalk complexeert, maar ook heel wat andere stoffen zoals zware metalen en micronutriënten. Zo worden zware metalen, wanneer ze in EDTA-gecomplexeerde vorm in het afvalwater aanwezig zijn, niet meer uit het afvalwater neergeslagen, waardoor deze in het oppervlaktewater terechtkomen.


Wat is het probleem met NTA?

NTA, een wateronthardende stof, wordt geklasseerd als mogelijk kankerverwekkend. Hoewel natriumtrilotriacetaat of kortweg NTA een relatief sterke complexvormer is, breekt het wel gemakkelijker af dan EDTA.


Wat is het probleem met APEO?

APEO`s of alkylfenolethoxylaten zijn wasactieve stoffen en zeer giftig voor waterorganismen; die zich daarenboven zouden kunnen opstapelen in het leefmilieu.


Wat is het probleem met polycyclische musks?

Synthetische geurstoffen zoals de polycyclische musks leiden dikwijls tot bio-accumulatie en tot allergische reacties.


Hoe werken schoonmaakmiddelen met bacteriën of enzymen?

Sommige was- en reinigingsmiddelen bevatten naast de wasactieve stoffen ook bacteriën en/of enzymen. De wasactieve stoffen nemen in eerste instantie de vervuiling weg, waarna de bacteriën de resterende organische vervuiling aanpakken: de door bacteriën gevormde enzymen breken dan eiwithoudende vlekken als melk, bloed en ei af. Doordat de micro-organismen zichzelf continu vermenigvuldigen is er sprake van een continue afbraak van hinderlijke stoffen. Dit vormt een waarborg voor een langdurige werking.

Schoonmaakmiddelen die bacteriën en/of enzymen bevatten, worden microbiologische reinigingsmiddelen genoemd.